Nostalgie naar de oude drugsbaron

Steeds als ik de bergen van de noordelijke deelstaat Sinaloa bezoek, stel ik dezelfde vraag: “Waar is Rafael Caro Quintero?”

“¿Quién sabe?” , beantwoorden collega’s en kennissen, altijd glimlachend. Wie weet? Het is een spelletje; het is een publiek geheim dat de oude drugsbaron zich daar verborgen houdt. Ik vermoed dat hij nooit ver weg is van de bergdorpjes in de ruige Sierra Madre waar ik voor reportages jaarlijks een of twee keer op pad ben.

Toch is de kans klein dat ik hem ooit in levenden lijve zal zien. Donderdag maakten de Amerikaanse autoriteiten bekend dat de 65-jarige Caro Quintero op de lijst van meest gezochte criminelen van de FBI is gezet, met een prijs van 20 miljoen dollar op zijn hoofd. Ik denk dat het vergeefse moeite is. Het zal me verbazen als ze hem ooit nog te pakken krijgen.

Legende

In de voortwoekerende Mexicaanse drugsoorlog is Caro Quintero een van de laatste overgebleven ‘legendes’. Opgegroeid in La Noria, een piepklein gehucht diep in de bergen van Sinaloa, begon hij zijn criminele carrière als tiener op de cannabisplantage van zijn oudere broer. In de jaren zeventig en tachtig groeide hij als oprichter van het Guadalajara-kartel uit tot een van de grootste drugscriminelen van het land.

Het was een voor Mexicaanse begrippen onschuldiger tijd. De drugshandel tierde ook toen al welig, maar het criminele bloedvergieten dat de laatste twintig jaar aan meer dan tweehonderdduizend mensen het leven heeft gekost, bleef het land toen nog grotendeels bespaard.

Drugsbazen waren in Sinaloa lokale helden, simpele boeren die op eigen kracht miljonair waren geworden, die hun miljoenen bovendien investeerden in de arme plattelandsdorpjes waar ze vandaan kwamen. Hun daden werden en worden bezongen in narcocorridos, liedjes over de onderwereld.

Natuurlijk was Caro Quintero niet onschuldig. In 1985 werd hij veroordeeld voor het laten martelen en vermoorden van de DEA-agent Enrique Camarena, diens piloot Alfredo Zavala, de Amerikaanse schrijver John Clay Walker en de Mexicaanse student Alberto Radelat.

‘Prins van Guadalajara’

In 2013 werd hij door een lokale rechtbank plotseling vrijgelaten, vanwege een administratieve kwestie die niemand echt begreep. De Amerikanen waren ziedend; Caro Quintero had met Camarena immers een van hun manschappen vermoord.

Maar de ‘Prins van Guadalajara’, zoals hij in de jaren tachtig ook wel werd genoemd, verdween spoorloos in de bergen van Sinaloa. Twee jaar geleden dook hij plotseling op in een interview in weekblad Proceso, waarin hij zich probeerde voor te doen als een onschuldige boer, die niets verkeerd heeft gedaan en destijds alleen maar wat cannabis verhandelde.

In Sinaloa weet men wel beter. Vraag de mensen in de Sierra Madre om Caro Quintero, en ze praten vol respect over hem, alsof hij een wijze, oude leider is. Hij is met pensioen, werd me vorig jaar nog verzekerd. Hij doet niemand kwaad. Hij wil met rust gelaten worden. Hij wordt door de lokale bevolking vrijwel zeker beschermd.

Het is daarom dat de autoriteiten hem vermoedelijk nooit meer te pakken zullen krijgen. Voor hen is de vrijheid van Caro Quintero vernederend, maar in Sinaloa geldt ze voor velen stiekem als nostalgie naar een tijd dat de drugshandel niet werd geleid door de bloeddorstige massamoordenaars die het hele land hebben ontwricht. Daar zal die beloning van 20 miljoen dollar weinig aan veranderen.