Februari 1953: ‘Scheveningers naar rampgebied’

Foto: Haags Gemeentearchief

Scheveningen 31 januari 1953; de havenbediende-seinwachter op het seinhuis meldde die middag om 12.00 uur een weersgesteldheid van windkracht 8 uit het Westen met hevige regenbuien. In de binnenvoorhaven liep nog slechts een matige deining. Al om 18.00 uur moest hij een windkracht 9 uit het West-Noordwesten in zijn journaal noteren. De loodsdiensten van Rotterdam werden gestaakt. Kort daarna schoot de wind uit naar het Noordwesten. Een ongekend hoge zee stuwde het water van de Noordzee richting Nederlandse kust.

Een stuurloos geraakte vrachtvaarder naderde, overgeleverd aan de elementen, de kust. Het vaartuig, de ‘Carthage’ uit Tunis, strandde uiteindelijk ter hoogte van het Savoy hotel. Intussen had de waterhoogte een zodanige stand bereikt dat door de aanstormende golven het seinhuis gevaar liep. Door alle deuren van het seinhuis stroomde het zeewater naar binnen. De borstwering voor het seinhuis had het al begeven. Het water reikte tot enkele meters achter het seinhuis. Op het hoogtepunt van de storm stonden de tuien van de seinstelling op knappen. De lantarenverlichting op de basaltglooiing begaf het door de metershoge golven. Op de havenhoofden had het groene licht het begeven, terwijl het rode licht kuren begon te vertonen. Aan de duindorp-kant van de buitenhaven was door het woeste water een diep gat in de basaltglooiing geslagen. Een oud mitrailleurkazemat raakte ondergraven en tuimelde om.

Op de peilschrijver, bij de spuisluis van het Verversingskanaal, werd op het hoogtepunt van de stormvloed een waterstand van 3.97 m + N.A.P. gemeten. Een stand zelfs hoger dan tijdens de bommenramp van december 1894. Het gegeven dat op Scheveningen van 1965 tot en met 1995 het hoogste hoogwater uitkomt op gemiddeld 2.45 m + N.A.P. zegt mogelijk genoeg.

Aan kaden van de haven zelf lag juist in die dagen een grote aantal kantjes haring gereed om met coasters verscheept te worden naar Oost-Duitsland. Door het extreem hoge water raakten circa 10.000 kantjes haring in de haven. Door de visafslag stroomde het water en reikte tot aan de Koppelstokstraat toe. In de zuidelijke oever van het Verversingskanaal was een gat van 70 bij 10 meter geslagen. Kabels en de persleiding van het riool kwamen aan de oppervlakte. De duinen ten zuiden van het Verversingskanaal raakten sterk afgeslagen.

In het oude dorp was het niet veel beter. Wat vrijwel niemand voor mogelijk had gehouden was toch gebeurd. Het ongekend hoge zeewater sloeg, omstreeks 5 uur in de ochtend van de 1e februari, met grote golven over de boulevard. Voor hotel Rauch was een diep gat in de weg geslagen. Het water kreeg daar de vrije loop en drong de huizen en winkels van de lager gelegen Keizerstraat binnen. Tussen 7 en 8 uur had de storm haar grootste kracht verloren en verbeterde de situatie. De kerkdienst in de Oude Kerk kon door de wateroverlast die ochtend echter niet doorgaan. Op de boulevard was de bestrating voor een groot gedeelte weggeslagen en voor het verkeer onbegaanbaar. Desondanks reden die zondagochtend overvolle trams, met massa’s dagtoeristen, af en aan om de ravage aan boulevard en de havens te aanschouwen.

Foto: Haags Gemeentearchief

Rampgebied
Eveneens massa’s burgers waren zich die zondagochtend nog onbewust welk een ramp ons land daadwerkelijk had getroffen. De slechts materiële schade op Scheveningen stond in geen enkele verhouding tot hetgeen er op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden had plaatsgevonden. Om 2 uur ‘s nachts, nog 3 uur voor het verwachtte hoogwater, luidden daar reeds de kerkklokken en loeiden er sirenes over de kleine steden en dorpen. Op tientallen plaatsen stond daar het water tot aan de kruinen van de dijken. Niet minder dreigend werd het water in Zeeuws-Vlaanderen, West-Brabant en de Krimpenerwaard. Bij Bath, ver achter in de flessenhals van de Westerschelde, bereikte de waterhoogte een stand van 5.60 m + N.A.P. Die zondagmorgen vroeg, terwijl het gespaarde Nederland nog sliep, kwam het inferno over die gebieden. Bij Schouwen liep het Finse schip Bore VI aan de grond. Het zou ‘s nachts de eerste alarmberichten over dat eiland naar de andere wereld zenden. ‘s Zondagmorgens om 4.22 uur deed het A. N. P. de eerste melding van overstromingen. Twee uur eerder was in Zwijndrecht al de noodtoestand afgekondigd. Stellendam was rond die tijd van twee kanten door het water besprongen. Tussen 4 en 5 uur dreigde Willemstad geheel te verdrinken. In Vlissingen brak de zee brak vijf gaten in de Boulevard en zette de stad tot twee meter onder water. Die zondag gaf de reddingboot van Stellendam het eerste noodsein. Veertig doden. Langzaam, heel langzaam, drong iets van een ramp tot ons land door. Maar het waren slechts de getroffen grotere steden die alarmberichten op de telex konden zetten. Tot maandag, zelfs tot dinsdag bleef het zwijgen van veel afgelegen dorpen op de eilanden. In Dordrecht, Zwijndrecht, Maassluis, Rotterdam, en West-Brabant kwam de hulpverlening reeds die zondag al op gang. Maar over de eilanden hing nog de stilte. Niets van de duizenden die in hun slaap waren verrast en, op daken, zolders, en zelfs in bomen, op redding wachtten. Door het uitvallen van telefoonverbindingen bleven vele noodgebieden geïsoleerd. Nog tot donderdag 5 februari braken daar, de door water verzadigde, binnendijken door. Het aantal slachtoffers steeg daardoor met honderden per dag. De Rijksvoorlichtingsdienst speurde intussen de ether af en kreeg verbinding met zendamateurs. Mede daardoor kwam het hulpapparaat, van het Rode Kruis en militairen, ook voor die gebieden, in beweging.

Hulpverlening
Reeds op zondag 1 februari reed een bus vol Urkers van Urk door België heen naar Breskens. Daar lagen hun kotters, waarvan er drie op de dijk waren geslagen. Met de overigen gingen zij de woeste Westerschelde op en bereikten als eersten de zwijgende noodgebieden. Met hun zenders vroegen zij via Radio Scheveningen om het benodigde materiaal. Van maandag tot woensdag stroomden de vissers, van het IJsselmeer, Katwijk, IJmuiden, Vlaardingen en Scheveningen, toe naar het rampgebied.

Op Scheveningen kwam het eerste initiatief tot hulpverlening van Jac. Vrolijk van de rederij Frank Vrolijk. Al op zondagmiddag die 1e februari liet hij met personeel en vrijwilligers een aantal sloepen van zijn loggers halen. Firma’s als Knoester, Jac. den Dulk, en Thijsse stelden hun vrachtauto’s beschikbaar voor het vervoer van de sloepen. Een twintigtal sloepen kon daarop naar de noodgebieden worden vervoerd. Bemanning voor de sloepen werd gevormd uit vissers, naast erf- en kantoorpersoneel, van de diverse rederijen. Vissers welke die winter juist aan hun stuurmansopleiding waren begonnen vertrokken onder leiding van leraar T. de Bruin eveneens naar het rampgebied om de sloepen te bemannen. Om half zes die zondagmiddag vertrok de colonne vrachtauto’s en bussen van Scheveningen.

Rond Abbenbroek en Zuidland op Voorne en Putten werd elke sloep bemand met vier roeiers en een schipper. Daar konden door de Scheveningers ongeveer 700 mensen van zolders, daken, en uit bomen worden gered. Uit een molen daar redden zij er ongeveer 300. Weer anderen Scheveningers sjorden wat onwennig aan koeien, varkens en paarden, en brachten die in veiligheid. Dikwijls moesten de zware sloepen over de dijken worden getrokken die het later alsnog begaven. Eén sloep sloeg om bij een dijkdoorbraak. De roeiers konden ternauwernood worden gered. Uiteindelijk gingen vier sloepen verloren.

Op Scheveningen zat men ondertussen niet stil. Op maandag 2 februari vertrok van Scheveningen weer een vrachtwagen met vissers naar het rampgebied om de eerste ploeg af te lossen. Op dezelfde dag was het een drukte van belang aan de havens. Kotters en botters werden geladen met dekens, kleren, levensmiddelen, medicamenten en radiozendinstallaties voor de rampgebieden. In de namiddag vertrokken, met de Rode Kruisvlag in top, de SCH- 1, 11, 18, 67, 68, 71, en 76, met bestemming het eiland Tholen. Sommigen sleepten nog een extra sloep achter zich aan, en één der kotters had een arts aan boord. Het konvooi werd begeleid door het visserij-onderzoekingsschip ‘Anthoni van Leeuwenhoek’. Eenmaal in het rampgebied evacueerden zij honderden inwoners, van het zwaar getroffen Stavenisse, naar het dorp Tholen. Drinkwater en voedsel werden gelost voor de getroffen bevolking. Schippers, als Hoefnagel, Bakker, en Wakker, goed bekend in de Zeeuwse wateren, kwamen daar uitstekend van pas. De SCH 71 met schipper J. den Dulk fungeerde in Oude Tonge als een tijdelijk nood-radiostation. Door enkele meegevaren radio-amateurs werden radio- noodverbindingen gelegd. Ook het hospitaal-kerkschip ‘De Hoop’ werd ingeschakeld bij de hulpverlening.

Op dinsdag 3 februari vertrok een tweede Scheveningse hulpvloot naar de Zeeuwse eilanden. Eveneens vol gestouwd met hulpgoederen vertrokken de schokkers en botters: SCH- 10,12, 38, 62, en 74 naar het rampgebied. De grotere rederijen lieten zich ook niet onbetuigd. Op 3 en 5 februari vertrokken de loggers SCH- 57, 79, en 132 met, kleding, dekens, meubels en, aan boord artsen en verslaggevers.

Ook de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandse Redding-Maatschappij van station Scheveningen kwam in actie. Op de late zondagavond van de 1e februari vertrok de motor-strandreddingboot ‘Prins Bernhard’ van Scheveningen. Schipper A.K. Groen, motordrijver A. Veldman en C. Bal, D. Roos, en J. Groen bemanden deze open boot. Zij meldden zich in de Rotterdamse Waalhaven en werden direct ingezet voor het vervoer van dieselbrandstof en noodrantsoenen voor Stellendam. Van daaruit naar Ooltgensplaat waar honderden inwoners op evacuatie stonden te wachten. Circa 150 daarvan, waaronder veel vrouwen en kinderen, werden er door de Scheveningers op grotere en verwarmde schepen overgezet. Na verschillende hand- en spandiensten werd op 4 februari naar Scheveningen teruggekeerd alwaar een nieuwe bemanning klaarstond. Schipper Den Heijer, motordrijver P. de Ruiter en C. den Dulk, A. de Ruiter, J. Groen, en A. v. d. Linden vertrokken eveneens naar de Waalhaven. Aldaar werd verzocht door te varen naar Dinteloord. Na hier en daar assistentie te hebben verleend bleven, door veranderde toestanden, verdere orders uit. Naarmate de leiding meer in handen van militairen en het Rode Kruis kwam keerden veel schepen terug. Militairen uit geheel Europa, met onder andere amfibievoertuigen namen veel van de hulpverlening over. Op 9 februari meerde de ‘Prins Bernhard’ weer af in de Scheveningse haven. Daar was men inmiddels een eind gevorderd met het uit de haven ophalen van de duizenden kantjes haring. Het exportartikel bleek nauwelijks te hebben geleden. Op de Boulevard, en in de Keizerstraat vorderde reeds het herstel van het wegdek. De draad van het gewone leven kon hier weer worden opgepakt. In het rampgebied waren er echter 1835 doden te betreuren en bleef men achter met 89 stroomgaten. Tienduizenden stuks vee en ruim honderdduizend stuks pluimvee verdronken er.

Toch zou de stormramp voor de Hollandse kust niet bij materiële schade alleen blijven. Na 1 februari was er ernstige ongerustheid ontstaan omtrent het lot van de stoomtrawler IJM 60 ‘Catharina Duyvis’. Het vaartuig was tijdens de orkaan thuisstomende en IJmuiden tot op circa 20 mijl genaderd. De trawler kon echter door het slechte weer IJmuiden niet binnenlopen. Zondagmiddag 1 februari had schipper A. Glas nog radiocontact met een andere trawlerschipper. Afgesproken werd om die avond opnieuw een radiogesprek te voeren. De ‘Catharina Duyvis’ werd echter niet meer gehoord. Een uitgebreide zoektocht naar het vaartuig en bemanning had geen enkel resultaat. Zestien vissers, waaronder de Scheveningers Arie Pronk (59) en Wouter den Heijer (61) en Hagenaar Cornelis de Kok (54), kwamen bij deze ramp om.

Foto: B. van der Kruk

Tekst: Bert van der Toorn