‘Nee, de Nederlandse gevangenis is geen hotel’

Schrijflessen aan gedetineerden in de gevangenis in Heerhugowaard brengen schrijver Christine Otten (58) meer dan ze ooit had durven denken.

‘Zal ik beginnen?’ R. schuift heen en weer op z’n stoel. Hij heeft een minuut of twintig zitten schrijven, net als de zes mannen om hem heen. Bijna muisstil was het in het lokaaltje in de Penitentiaire Inrichting Heerhugowaard, locatie Zuyder Bos. Af en toe hoorde je het geluid van pennen op het papier, of een schreeuw of lach vanaf de luchtplaats.

Wie is Christine?
Christine Otten (58) brak in 2014 door met haar roman De laatste dichters, waarvoor ze werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Ze bedacht en schreef de Gevangenis Monologen 1 & 2, theatervoorstellingen uit 2018 en 2019 die zijn gebaseerd op verhalen van (ex-)gedetineerden. Haar nieuwe roman Een van ons verschijnt dinsdag bij uitgeverij De Geus.

Buiten vriest het, binnen is het bloedheet. Ik had geen coltrui moeten aantrekken, bedenk ik. De mannen dragen T-shirts. Het thema van vandaag: een beslissend moment. R. leest voor: ‘Eindelijk, ik sta op de top van de berg. Ik heb overzicht. Ik ga aan het randje staan en zie de steile rotswanden van boven het zand verdwijnen. Ga ik het nou doen of doe ik een stapje terug? Ik draai mij om. Boven blijven heeft mij een andere kijk gegeven’.

Het was een van de eerste schrijfworkshops, nu drie jaar geleden, en ik weet nog dat ik schrok. R. vroeg zich hardop af of zijn leven nog zin had. Een andere deelnemer reageerde meteen: ‘Nooit opgeven. Er is altijd hoop’. R. lachte, zichtbaar opgelucht.

‘Hierbinnen voel je meer’, zei K., een jonge gedetineerde in de groep. ‘Er is geen afleiding. Vroeg of laat zie je jezelf, daar ontkom je niet aan’. Dat dat ook voor mij zou gelden, als begeleider van de schrijfgroep, daarvan had ik toen nog geen idee.

© Jean-Pierre Jans

Zuyder Bos, met plaats voor 242 gedetineerden, heeft de naam innovatief te zijn. Gevangenen koken zelf hun eten, er is een binnentuin met bomen, een vijver, een volière en een kas waar gedetineerden groenten kweken voor de voedselbank.

Eerder had ik schrijfles gegeven bij Kantlijn, een schrijfgroep van dak- en thuislozen. Daar had ik gezien hoe mensen van pijnlijke gebeurtenissen iets kunnen maken waarop ze trots zijn. Toen ik de onderwijzer van de inrichting voorstelde met gedetineerden te schrijven, mocht ik beginnen met eens in de twee weken een les, op woensdagmiddag. Een korte cursus ‘schrijf je eigen verhaal’.

Schrijven in de gevangenis is wezenlijk anders dan ik gewend was, merkte ik meteen. De gevangenis staat voor zij en wij. Alleen de entree al. Telefoon in een kluis. Tas, jas, riem, schoenen laten scannen, door het poortje, aanbellen, wachten tot de zware deur opent, gang door, weer bellen, wachten tot de volgende deur opent, door naar de ruimte waar we schrijven. Bijna is het alsof al die poortjes, deuren en camera’s je iets willen vertellen, niet over de wereld die je op het punt staat te betreden, maar over jezelf. Wie ik ben doet er weinig meer toe. Ergens voelt dat prettig, bevrijdend, maar ík kan een paar uur later weer naar buiten.

‘Ik denk dat mensen buiten geen idee hebben van wat hier gebeurt’, zei D. laatst tijdens een workshop. Thema die middag: ik en de wereld, de wereld en ik.

In tegenstel­ling tot wat mensen vaak denken, is de gevangenis in Nederland geen hotel

Als iedereen zit, beginnen we met associëren: losse woorden en zinnen opschrijven. Ter inspiratie lees ik voor. Bijvoorbeeld een gedicht van de Antilliaans-Nederlandse dichter Gershwin Bonevacia: Blinddoek mij / draag mij naar het uiterste puntje licht / Als ik mijn weg / terugvind op / de golven van intuïtie / Dan hou ik van jou / in de hoop jij / ook van mij.

Terwijl ik lees, beginnen de meeste mannen al in hun schrift te schrijven. Sommigen hebben hun eigen map; ze werken aan een boek voor hun dierbaren. Na een half uur kan het voorlezen beginnen. T. leest: ‘Ik zal het vandaag niet over zijn gewicht hebben, vorige keer hebben we het al genoeg daarover gehad. Ik weet, hij doet zijn best. De appel valt niet ver van de boom, papa is ook een lekkerbek. Moet blij zijn met zo’n bezoek’. Zijn tekst mondt uit in een groepsgesprek over vaderschap en hoe ingewikkeld dat kan zijn als je ‘binnen’ zit. D is (nog) geen vader. De meeste anderen wel. ‘Geloof me, je krijgt een herkansing’, zegt een van hen. ‘Heb vertrouwen.’ Zijn oprechtheid raakt me.

‘En de slachtoffers dan? De gevangenen hebben toch erge dingen gedaan?’ vroeg een vriendin toen ik vertelde dat ik dit werk deed. ‘Ze zijn al gestraft’, antwoordde ik. ‘Wie ben ik om dat over te doen?’ Ik zei dat in tegenstelling tot wat mensen vaak denken, de gevangenis in Nederland geen hotel is. Dat je niet alleen je telefoon en internetverbinding kwijtraakt, maar ook je werk, inkomen, huis, toekomst, soms je familie, geliefden. Ik vertelde dat het me wezenlijk niet boeit wat mensen op hun kerfstok hebben en dat ik geen oordeel heb. Dat ik niet probeerde stoer te doen, maar dat niet oordelen wezenlijk is omdat een gedetineerde niet zijn delict ís. Hoe kun je veranderen als iedereen je in de eerste plaats als dader blijft zien, pas daarna als mens?

Natuurlijk krijg ik iets mee van de levens die mensen hadden voordat ze hier terechtkwamen. Sommigen schrijven over de beschadigingen die ze opliepen in hun jeugd. Zoals R.: Ik had jou zoveel vragen willen stellen / Waarom jij die dingen met mij hebt gedaan die je hebt gedaan / Ik heb de oorzaak altijd bij mezelf gezocht.

© Jean-Pierre Jans

Geen schrijfmiddag gaat voorbij zonder dat delicten impliciet ter sprake komen; de gedetineerden zijn de eersten die zich bewust zijn van hun schuld, ermee in het reine proberen te komen. Zoals in Durf: Je hebt te veel gedurfd / Daarom zit je hier / Je hebt nooit echt gedurfd / Daarom zit je hier / De dingen die je durfde deugden niet / Doen wat deugde durfde je niet / Nu alles omgooien en gaan / Of durf je niet?

Van anderen weet ik welk delict ze pleegden omdat zij het vertelden, of omdat hun zaak in de media was. Voor ons contact maakt het niet uit; hooguit wordt het vertrouwelijker. Sommige deelnemers ken ik nu bijna beter dan mijn vrienden, zonder dat ik weet waarvoor ze zijn veroordeeld. Ik besef dat omstandigheden soms leiden tot keuzes die je niet had voorzien.

‘Woede’ was ook ooit een thema. Terwijl de mannen schreven, dacht ik aan een scène in mijn roman De laatste dichters. Ik bedacht hoe makkelijk ik had geschreven over een jongen van een straatbende die een andere jongen halfdood slaat in de New Yorkse Bronx. Ik had uit mijn eigen leven geput, uit een nachtmerrie na een bezoek aan mijn vader die destijds in een psychiatrische inrichting woonde. In mijn droom worstelde ik met een onzichtbare vijand die me probeerde te wurgen. Er kwam een oerkracht in mij vrij waarvan ik schrok. Desnoods maakte ik slachtoffers.

Als de gevangenis je ergens mee confron­teert, dan is dat met de zin van het leven

‘Misschien heb ik in mijn leven net iets meer geluk en kansen gehad dan zij’, zei ik tegen mijn sceptische vriendin. Pas als ze meegaat naar een voorleesavond met roti en couscous – door de mannen gekookt -, familieleden van de gedetineerden ontmoet en tot tranen wordt geroerd door de voordrachten, begrijpt ze wat ik bedoel. ‘Ik zag geen verschil tussen wie opgesloten zit of op bezoek is’, zei ze. Ze zag creatieve, worstelende mensen, mensen als zijzelf.

De schrijver van Durf ontdekte pas in de gevangenis dat hij talent heeft voor poëzie. Op school kreeg hij zelden positieve aandacht, hij hing meestal op straat. Gedichten vond hij iets voor watjes. Tot hij z’n eerste tekst voorlas en de groep hem complimenteerde. Ineens zat hij rechtop. Zo’n tekst schrijf je pas als je je vrij, veilig en gerespecteerd weet en vooruit durft te denken, aan het leven voorbij de gevangenis.

De gedetineerden begonnen er eerder over dan ikzelf. ‘Jij moet een roman schrijven over wat je hier meemaakt en dan ben ik die en die…’ Schrijven én een schrijfgroep begeleiden kon niet, dacht ik. Ik voelde me een spion. Op het re-integratiecentrum waar we schrijven, leerde ik een levenslang gestrafte man kennen. ‘Als buitenstaander heb jij een unieke inkijk’, zei hij.

Zo ontstond langzaam mijn roman. Een van ons vertel ik voor de helft vanuit Katrien, die een schrijfgroep begeleidt. De andere stem is van gevangene Luc, die een levenslange straf uitzit. Om zichzelf ervan te overtuigen dat hij bestaat, schrijft hij een logboek. Levenslang was hier tot voor kort officieel levenslang, in tegenstelling tot de andere landen in Europa. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bekritiseerde Nederland hierom – ‘Ieder mens heeft recht op hoop’. Nu kunnen levenslang gestraften na 25 jaar een verzoek doen om, na uitvoerig onderzoek en advies van een speciale commissie, te beginnen met resocialisering. In de praktijk is er weinig veranderd.

© Jean-Pierre Jans

Als de gevangenis je ergens mee confronteert, dan is dat met de zin van het leven. In de laatste drie jaar heb ik daarover meer geleerd dan in een hele poos daarvoor.

Ondanks de wisselingen in de groep – mannen komen vrij of worden overgeplaatst – bouwen we een band op. We hoeven niets op te houden, weten dat er dingen zijn gebeurd in ieders leven die niet hadden moeten gebeuren. Er ontstaat ruimte voor iets nieuws, verbondenheid, liefde. Dat klinkt soft, maar er wordt wat af geworsteld, gestreden, gewroet.

‘Ik wil genieten, ik wil liefhebben, ik wil passie, ik wil pijn, verdriet, geluk, lachen, huilen, vechten en neuken, ik wil alles (…) Nu weet ik het / Ik wil niet méér / ik wil het wéér / Ik wil leven, schreef K. toen hij na een lange straf uitzicht had op vrijheid.

Morgen ga ik weer naar Zuyder Bos. De schrijfgroep is er niet meer weg te denken. Ik voel trots als een deelnemer zegt: ‘Eerst vond ik het niks, nu schrijf ik elke dag’.