Astrid Holleeder: ‘Dit verhaal loopt niet goed af’

Astrid Holleeder schreef met Judas een bestseller over haar ervaringen met haar broer Willem. Het zette haar leven op zijn kop; ze moest onderduiken en voelt zich in de steek gelaten door justitie. Daarover gaat Dagboek van een getuige, dat vandaag in de boekhandel ligt.

 

,,Met status of aanzien heb ik helemaal niets. Ik ben wel vereerd dat ik met Judas zoveel lezers heb bereikt, vooral omdat die lezers mij mijn vrijheid een beetje hebben teruggegeven. Maar een schrijver voel ik me nog altijd niet. Als mensen over mijn ‘schrijfstijl’ beginnen, word ik altijd wat nerveus.

Ook wordt me wel gevraagd of ik na de publicatie van mijn boek stiekem in de boekhandel ben gaan kijken hoe Judas over de toonbank vloog – het idee alleen al maakt me aan het lachen. Zoiets zou ik nooit doen. Ik schrijf mijn verhaal op, zo goed als ik kan. Zo zie ik het. En echt: ik was al blij geweest als 1000 mensen het hadden gelezen. Het zijn er veel meer geworden.”

De publicatie van Judas, een jaar geleden, geldt als een bijzonder moment in de Nederlandse uitgeefgeschiedenis. Van het boek van Astrid Holleeder, over de beslissing om te getuigen tegen haar broer Willem, zijn 500.000 exemplaren verkocht, en onlangs gingen de internationale filmrechten naar het productiebedrijf van Steven Spielberg.

Echt genieten van het succes kan Holleeder (51) niet. Al snel bleek dat haar leven na de getuigenverklaring niet veel beter was dan ervoor: Holleeder, haar zus Sonja en vriendin Sandra – de medegetuigen – voelen zich door de afgemeten nazorg van justitie in de kou gezet en vrezen dagelijks voor hun leven.

U schreef Dagboek van een getuige omdat u wilt laten zien hoe ‘amateuristisch’ justitie volgens u opereert. Voelde u nooit een moment van bevrijding na die spectaculaire verkoop-cijfers?

,,Echt genieten kan ik niet zo goed. Ik ben zo’n type dat complimenten meteen vergeet maar dagen kan piekeren over een negatieve opmerking.”

Maar u moet op zijn minst zelfvertrouwen hebben geput uit het succes?

,,Vergeet niet: ik leef nog altijd op een geheime plek tussen vier muren. Ik kom ook weleens buiten en doe ook soms zelf wat boodschappen, maar nooit zonder het gevoel te hebben dat ik elk moment kan worden neergeknald – iets wat ook zeker een keer gaat gebeuren, alleen weet niemand wanneer.”

Schreef u Dagboek van een getuige dan als afleiding?

,,Ik moest het schrijven. Ik maak negatieve dingen mee met justitie. Daar moest ik een kant mee op. Het is ontstaan uit een gevoel van machteloosheid. Ik word na mijn getuigenis tegen Willem, met alle gevaren van dien, door justitie nauwelijks beschermd.

Dan ontstaat bij mij een gevoel van: wie niet luisteren wil, moet maar voelen. Een kinderlijke reactie op het eerste gezicht, maar er is volgens mij ook een maatschappelijke relevantie.

Eigenlijk hebben we het over een vorm van klassenjustitie; een getuige zonder spaargeld is in dit land aan de goden overgeleverd. Terwijl iemand als ik, een advocaat met een leuke bankrekening dankzij een goed verkocht boek, wel de ‘luxe’ heeft om zichzelf te beveiligen tegen wraakacties.”

U wilt dat uw boek iets teweegbrengt?

,,Ik ben niet meer in staat om als advocaat andere mensen te helpen. Met Dagboek van een getuige kan ik, hoop ik, wel een verandering in gang zetten. Het kan niet zo zijn dat in ons land, waar veel tot in de puntjes is geregeld, getuigen in de hoek worden gezet of in de steek worden gelaten.

Daarnaast wil ik oprecht, in breder verband, iets betekenen voor het rechtssysteem. Los van mijn particuliere verhaal wil ik iets bijdragen. Ik ben daar, al klinkt dat ijdel, ook de aangewezen persoon voor; ik snap het rechtssysteem, heb praktijkervaring als getuige in een zaak tegen een topcrimineel en ik weet hoe je tegengas moet geven.

Het klinkt activistisch, maar met dit boek sta ik op tegen de ambtenarij en de bureaucratie. Dat kan ik doen omdat ik, anders dan veel andere getuigen, over de macht van het woord beschik. Macht die mij door de lezers is geschonken.”

U omschrijft uw eigen situatie als ‘levenslang’. Maar aan vechtlust ontbreekt het niet.

,,Zolang ik een missie heb en zolang ik betekenis heb, behoud ik mijn energie. Als ik me moet gaan afvragen of mijn leven nog zin heeft, houdt het op. Dan wordt het leven tussen vier muren ondraaglijk.”

Geeft het schrijven uw leven letterlijk zin?

,,Als ik schrijf en nuttig ben, kan ik dit nog wel volhouden. Dan hoef ik niet per se naar buiten. Dat heb ik van mijn moeder. Die kan op haar leeftijd volstrekt tevreden zijn als ze haar vloertje heeft gepoetst. Dan is de dag voor haar gelukt. Dat gevoel heb ik met mijn boekjes.”

Lachend: ,,Zei ik nu weer boekjes? Dat woord mag ik van mijn uitgever niet gebruiken. Ik moet, zoals schrijvers betaamt, volmondig ‘boek’ zeggen. Maar dat lukt me nog niet echt, merk ik.”

In uw boek bent u kritisch op justitie. Maar er zijn ook intieme scènes waarin uw kleinkinderen zich afvragen waarom oma zo weinig komt. Wat was moeilijker om te schrijven?

,,Ik voel me de afgelopen twee jaar door justitie geestelijk mishandeld. Dat kan ik niet zomaar achter me laten. Maar het moeilijkst zijn toch de persoonlijke delen. Met de kleinkinderen. Want wat is de impact van deze situatie op hun fantasie? Ik heb een therapeut die me daarin begeleidt.

Hoe ga je om met een kleinzoon die weet dat de vader van zijn nichtje (Cor van Hout, red.) is doodgeschoten? Die vraagt dan aan mij waar Cor is doodgeschoten. Dan zeg ik: ‘Op de hoek.’ En dan zegt hij, en hij is dus 7 jaar oud, hè… dan zegt hij: ‘Nee, ik bedoel waar op z’n lichaam?’ Dat is een gesprek dat je niet wilt aangaan.

Maar hij gaat daar dus nuchter mee om. Terwijl hij ’s avonds in bed wel doodsbang is voor de Brutelaars, de monsters uit zijn favoriete boek De Gorgels. Zo werkt het kinderbrein. Het is de fantasie die ze bang maakt. Dus ik probeer over mijn eigen zaken zo normaal mogelijk te praten.”

U vertelt makkelijk over wat het voor uw naasten betekent om een moeder of oma te hebben die noodgedwongen als een schim door het leven gaat. Maar hoe is dat voor uzelf?

,,Ik droom dat het ooit nog anders wordt. Dat er een leven komt waarin ik wel spontaan iets kan doen met de kinderen. Ik hoop vooral ook dat ik ze gaandeweg niet kwijtraak. Het is mijn grootste angst dat ik door mijn leven te weinig herinneringen met ze kan maken waardoor ik in hun hoofden langzaamaan verdwijn.”

U raakt geëmotioneerd. Is dit de grootste tragedie in uw leven?

,,Die angst… Dat ze straks niet meer weten wie ik ben. Zo erg is dat. Het enige wat ik kan doen is heel hard werken en hopen dat er iets gebeurt waardoor het toch verandert. Juist voor hen wil ik heel veel betekenen. Mijn kleindochter heeft epilepsie. Daar wil je als oma bij in de buurt zijn. Maar dat kan dus niet. Of in elk geval veel te weinig. Al zijn er nog Skype en Facetime, zodat je elkaar wel kan zien. Gelukkig ben ik creatief. Ik laat me niet zomaar verslaan door de omstandigheden.”

We spraken elkaar eerder. Maar ik zag u nog niet huilen. Is uw verdriet meer aan de oppervlakte gekomen?

,,Het is extreem ingewikkeld. Dat ik fysiek van mijn dochter, mijn kleinkinderen, mijn familie en mijn vrienden ben afgesneden. Dat doet pijn. Weet je? Dat komt ook nog eens boven op het drukkende gevoel dat ik al meedraag omdat ik mijn broer heb verraden. Dat is ook een zware emotie. Eerlijk is eerlijk: mijn gevangenis is toch een minder heftige dan de zijne. Ik kan wel een moorkop bestellen, en hij niet. Voor mij is er wel een broodje halfom. Voor hem niet.”

Eerder in dit gesprek noemde u Willem Holleeder een misdadiger en een moordenaar.

,,Dat is hij ook. En hij moet gestraft omdat hij nooit zal veranderen. Maar hij blijft ook mijn broer. Als familie is het onvermijdelijk dat je van elkaar houdt. ‘Houden van’ doe je niet per se van iemand die je leuk vindt. ‘Houden van’ doe je vooral omdat je nou eenmaal een leven met elkaar opgescheept hebt gezeten. Ik vind veel mensen van wie ik houd ook best vervelend. Voor Willem geldt dat in extreme mate. Maar ik houd wel van hem. Ik kan niet anders.”

U schetst in uw boek een situatie waarin u, gealarmeerd door een auto in de straat met afgedekte kentekens, justitie niet kunt bereiken.

,,Ik heb een zogenaamd noodnummer. Maar toen Sandra daar, na het zien van die dubieuze types in haar straat, gebruik van maakte, bleek dat niet te werken. Sonja en ik hadden nog drie andere telefoonnummers voor noodsituaties. Bij alledrie werd niet opgenomen. Dat is toch niet te geloven?

Het Openbaar Ministerie meende ons voldoende te kunnen beschermen. Dat was mooi, maar er is ons toen niet verteld hoe zij dachten dat te gaan doen. Wij hadden geen idee hoe ons leven eruit zou zien zodra Wim het wist. Het is helaas een slapstick geworden. Of beter: een wanvertoning. Hoe valt te verklaren dat wij nog geen kogelwerend vest van 400 euro kunnen krijgen, maar een getuige als Peter La Serpe, een crimineel dus, 1,4 miljoen ontvangt om zijn veiligheid te regelen?’’

Heeft u een voorbeeld van wat u amateurisme noemt?

,,Het is bekend dat mensen vaak bij de auto worden geliquideerd. Tijdens het in- en uitstappen. En justitie weet ook hoe kinderlijk eenvoudig het is iemand te traceren als je een woonplaats of een auto, of allebei, als aanknopingspunt hebt. Ze doen zelf niet anders. Een ander kenteken leek ons daarom – dit speelde voordat de zaak naar buiten kwam – geen overbodige luxe. Maar helaas; dát konden ze dus niet regelen.

Ook moest Sandra gewoon blijven werken, in de winkel waarvan Wim wist waar die was. Ze kon geen enkele vergoeding krijgen, want dat zou een beloning voor onze verklaringen zijn, en dat mag volgens de wet niet. Ik zei dat we geen geld nodig hadden, maar een mogelijkheid moesten krijgen om verder te leven. Justitie heeft ons laten zitten. Maar gelukkig werken we nu aan een oplossing. Er is licht aan het einde van de tunnel.”

U bent niettemin nog razend?

,,Waarom zou ik moeten meebetalen aan de vervolging van Willem Holleeder en de officier van justitie of de rechter niet? Bij mij is het simpel: lever jij je salaris in, dan doe ik het ook. Lever jij je bedrijf in, dan volg ik meteen. Maar het is toch te gek voor woorden dat ik voor de kosten van mijn getuigenis moet opdraaien? Het gaat me niet om het geld, maar om het principe. Ik heb 500.000 lezers. Ik kan me wel wat permitteren. Maar de talloze getuigen zonder die luxe – vooral voor hen voer ik deze strijd.

De laatste tijd heb ik geen enkel risico genomen. Mijn grootste zorg was dat ik in leven moest blijven tot dit boek in de winkel lag. Ik had de angst dat ik ergens op de grond zou eindigen, en niemand dan kon bevroeden hoe de afgelopen twee jaar voor mij zijn geweest. Dat justitie dan zou zeggen: we hebben er alles aan gedaan. De waarheid is: ik heb ze niet gezien en wat ze wel hebben gedaan, leek nergens op.”

Maakt die permanente dreiging u niet overspannen?

,,Ik ben liever binnen en niet bang, dan buiten en voortdurend vol angst. Bang zijn vreet energie. Ik heb er niets aan ergens wat te gaan drinken en dan voortdurend om me heen te moeten kijken. Ik heb geaccepteerd dat ik mijn leven anders moet invullen.”

U stelt dat het succes van Judas uw leven niet wezenlijk heeft veranderd. Is dat omdat de angst voor uw broer niet minder is geworden?

,,Ik heb nooit gelogen over wie mijn broer was. Maar makkelijk is het niet geweest. Er zijn veel mensen uit mijn leven verdwenen toen ze hoorden hoe mijn familie in elkaar stak. Uit angst.

Wat ik al zei: ik blijf me ook schuldig voelen tegenover hem, terwijl ik eigenlijk boos moet zijn omdat ik zeker weet dat hij mij vanuit de gevangenis al minstens één keer heeft proberen te laten doden. Maar ik denk ook aan hoe hij erbij ligt, in die cel, met dat luikje dat soms even opengaat en dan weer dicht. Dat zie ik voor me. Fokking shit. Willem is ook in de vijftig. Als dat dan je leven is.”

U vertelde eerder over een documentaire over een aanslag in Israël, die op een bepaalde manier iets zei over uw situatie. Wilt u dat met de lezers delen?

,,Een man wordt bij een aanslag voor de terrorist aangezien en wordt beschoten. Hij kruipt, meer dood dan levend, naar een bushalte. Daar trappen mensen op hem in; hij wordt zelfs met een stoel op zijn hoofd geslagen. Ik ken Israël goed en begrijp de pijn. In dat land weet iedereen hoe het voelt om mensen te verliezen en ook weet iedereen hoe het is met het idee te ¬leven dat je opnieuw mensen gaat verliezen.

In die zin is er een parallel met mijn familie. Die is ook in rouw gestort en zal, door toedoen van een terrorist, opnieuw slachtoffers kennen. Ik wil hem primair dood. Maar tegelijk is er een grens. Ik behoor niet tot de groep mensen die op een half lijk gaat intrappen, hoe monsterlijk die persoon misschien ook is. En als ik de parallel mag doortrekken: als ik er normaal over nadenk, wil ik niet dat mijn broer zijn leven slijt in een donker celletje.

Het is een onmogelijke spagaat. Ik wil hem, zoals ik zei, dood, want dan ben ik ook weer vrij. En anders dan maar die straf. Maar ik geniet er niet van. Als Willem bij de zitting mijn naam zegt, ga ik dood van binnen. Echt dood.”

Denkt u dat gevoel ooit los te kunnen laten?

,,Op een of andere manier wil je maat houden. Voor mijn part krijgt hij een paleis tot zijn beschikking, als dat paleis maar buiten de wereld staat waarin wij leven.

Tegelijk weet ik zeker dat Sonja, Sandra en ik uiteindelijk worden omgelegd door zijn toedoen. Dit verhaal loopt niet goed af. Maar dat impliceert niet dat ik de beul wil zijn. Wie wil nou de beul zijn? Ik hoef geen wraak. Ik hoef hem niet zien lijden. Ik zoek rechtvaardigheid.”

Komt er ook een derde boek?

,,Ik hoop dat ik de motivatie blijf vinden om te schrijven. Mijn hele leven is overgenomen doordat mijn broer een levens¬gevaarlijke crimineel is. Door te schrijven, kan ik me daar bij vlagen aan onttrekken.

Ik ontsnap aan hem door de taal. Al moet ik eerlijk zijn: alle vluchtpogingen zijn van tijdelijke aard. Aan het einde van de rit zit ik toch weer gevangen op mijn geheime plek. Alleen in mijn hoofd kan ik echt vrij zijn. Dus daarvan maak ik dan maar gretig gebruik.”