De riskante ééntweetjes

Het is één van de grootste fabeltjes over de onderwereld: criminelen praten nooit en te nimmer met de politie. Onzin. Ja, als ze zelf worden opgepakt, blijken ze artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering goed te kennen: de verdachte is niet tot antwoorden verplicht.

Het is slechts het halve verhaal. Want er zijn genoeg hele en halve criminelen die de politie wel informeren. Bijvoorbeeld als ze een concurrent uit willen schakelen: een simpel telefoontje naar Meld Misdaad Anoniem kan volstaan om de politie op het spoor te zetten van de wietplantage van een rivaal. Er zijn ook criminelen die nog een stapje verder gaan: zij laten zich officieel registreren als informant van de politie en praten in het geheim met het Team Criminele Inlichtingen (TCI).

Lugubere vondst

Collega’s van het Algemeen Dagblad onthulden deze week  dat de in 2015 om het leven gekomen Freddy Janssen uit Valkenswaard een politie-informant was. Het in stukken gesneden lichaam van de 51-jarige man werd in juni 2015 gevonden in het Markkanaal tussen Terheijden en Oosterhout. De lichaamsdelen waren gewikkeld in pakketjes die bijeen werden gehouden met kippengaas. Janssen was betrokken bij motorclub No Surrender en goed ingevoerd in de Brabantse onderwereld. Politie-onderzoek wees uit dat de man zichzelf door het hoofd zou hebben geschoten, waarna criminelen zich op lugubere wijze van het lichaam ontdeden.

Boeven vang je met boeven, luidt het gezegde. Dat klopt, maar het verhaal dat Freddy Janssen een politie-informant was,  laat vooral ook zien hoeveel nadelen er zitten aan die methode. Het scenario dat Janssen, op bezoek bij de beruchte wapenhandelaar Jan B. uit Hulten, zichzelf door het hoofd zou hebben geschoten, wás al niet zo geloofwaardig. Nu blijkt dat Janssen een spion van de politie was, bedenk je meteen dat de politie zo’n zelfmoordscenario misschien best goed uitkwam.

Schimmige deals voeden  achterdocht

Werken met criminele informanten leidt als vanzelf tot schimmige en oncontroleerbare toestanden die zich  moeizaam verhouden tot de regels van onze rechtsstaat. Die schrijven voor dat de overheid integer en transparant te werk gaat en zelf geen vuile handen maakt. De deals met de anonieme informanten voeden de achterdocht en ondergraven het vertrouwen in politie en justitie.

Lessen van de IRT-affaire

De geschiedenis leert bovendien dat criminele informanten soms gewiekster zijn dan de recherche. Denk maar even terug aan de IRT-affaire uit de jaren negentig, waarbij criminele infiltranten met medeweten van de inlichtingendiensten grote partijen drugs importeerden en lekker verdienden aan hun eentweetje met de politie. Daarna kwamen er strikte regels voor de opsporingsdiensten, maar in 2013 maakte minister Opstelten het weer mogelijk om criminelen een grotere rol toe te bedelen bij het vangen van hun collega’s.

Gezien de groei van de georganiseerde misdaad was dat niet onlogisch, maar de risico’s uit de tijd van de IRT-affaire zijn dezelfde als die van nu. Gevoegd bij de wetenschap dat het blijkens journalistiek onderzoek van Argos behoorlijk rommelt in het Team Criminele Inlichtingen, voedt dat de angst voor nieuwe ongelukken.